|
Een pensioenstelsel kan je op twee manieren vormgeven. Omslagstelsel Je kan de huidige generatie werkenden een stuk van hun inkomen laten afstaan en dat, in de vorm van uitkeringen, doorgeven aan de huidige generatie ouderen. Het geld wordt niet belegd of gespaard - het wordt immers meteen uitgegeven. Een omslagstelsel is dan ook ongevoelig voor ontwikkelingen op de financiele markten. De betaalbaarheid ervan is echter wel afhankelijk van het aantal premiebetalers (werkenden) tegenover het aantal uitkeringstrekkers (ouderen). We kennen dit in Nederland onder de noemer AOW (Algemene Ouderdoms Wet), ook wel de "eerste pijler" van het pensioengebouw genoemd. Kapitaaldekkingsstelsel Je kan ook een bedrag opzij leggen en dit sparen of beleggen voor later. Zo bouw je aan een vermogen (een kapitaal) dat je later in stukjes laat uitkeren. Je kan het kapitaal ook gebruiken om het om te zetten in een levenslange uitkering. Je loopt dan niet het risico dat je geen inkomen meer hebt als je ouder wordt dan de gemiddelde levensverwachting. Een kapitaaldekkingsstelsel is dus ongevoelig voor demografische ontwikkelingen (ontgroening en vergrijzing). De groei van het vermogen is afhankelijk van de premies die je stort en het rendement dat daarop wordt gemaakt. De uitkering is afhankelijk van de gemiddelde levensverwachting en de rentestand op pensioendatum. Daardoor is dit stelsel weer erg gevoelig voor de ontwikkelingen op de financiele markten. Daarom laten sociale partners (werkgevers en werknemers) dit vaak niet over aan hun individuele werknemers, maar spreken zij met elkaar af dat ieder verplicht is om deel te nemen aan een collectief beheerd pensioenfonds. Zodoende kunnen de risico's beter verspreid worden en de kosten, voor bijvoorbeeld advies over het beheer en inschattingen van de benodigde opbouw, laag gehouden. We noemen dit de "tweede pijler" van het pensioengebouw. Vaak zijn de beoogde uitkeringen het uitgangspunt van alle berekeningen. We spreken dan van een uitkeringsovereenkomst of "salaris-diensttijdregeling". Meestal wordt er dan pensioen opgebouwd op basis van het gemiddeld verdiende salaris ("middelloon"). De premie staat dan niet vast: deze kan jaarlijks worden aangepast aan de omstandigheden op de financiele markten. Het kan ook zijn dat werkgevers en werknemers overeenkomen dat de premie vaststaat en dat de uitkering afhankelijk mag zijn van rendement, marktrente en levensverwachting. We spreken dan van een premie-overeenkomst of een "beschikbare-premieregeling". Kapitaaldekkingsstelsel - individueel Zoals hierboven al staat beschreven kan je natuurlijk zelf ook iets opzij leggen voor later. Bijvoorbeeld omdat jouw bedrijffstak geen verplichte aansluiting bij een pensioenfonds kent en je werkgever geen pensioenregeling aanbiedt. Dan kun je terecht bij een verzekeraar of bij een bank. We spreken dan officieel niet over "pensioen" maar over "lijfrente", ook wel aangeduid als "de derde pijler". Voor het overige geldt vrijwel hetzelfde als hierboven. Het is raadzaam om advies over, bijvoorbeeld, beheer en benodigd kapitaal op einddatum bij een gespecialiseerd pensioendeskundige in te winnen. |